Doorontwikkeling van PNI (Participatory Narrative Inquiry)

Participatory Narrative Inquiry (PNI): Wetenschappelijke onderbouwing en toepassing

Inleiding

Participatory Narrative Inquiry (PNI), in het Nederlands vaak aangeduid als participatief narratief onderzoek, is een methode die de afgelopen decennia steeds meer aandacht heeft gekregen binnen zowel praktijkgericht onderzoek als academische kringen. De kern van PNI is eenvoudig: mensen delen hun eigen ervaringen in de vorm van verhalen en geven daar zelf betekenis aan. Vervolgens worden deze verhalen gezamenlijk geanalyseerd om tot inzichten te komen die relevant zijn voor beleid, organisatieontwikkeling of maatschappelijke vraagstukken.
Hoewel PNI zijn oorsprong vindt buiten de traditionele academische wereld, is de methode stevig geworteld in wetenschappelijke theorieën en wordt deze inmiddels erkend door diverse kennisinstituten en universiteiten. In dit document wordt uiteengezet hoe PNI wetenschappelijk is onderbouwd, welke instellingen de methode erkennen, en hoe StoryConnect  PNI toepast en verder ontwikkelt.

Wetenschappelijke basis

PNI is ontstaan rond 1999, onder andere vanuit het werk van Cynthia Kurtz en Dave Snowden bij IBM. De methode is gebaseerd op inzichten uit de complexiteitstheorie, sociaal-constructivisme, narratieve sociologie en participatief actieonderzoek. Wat PNI onderscheidt van andere narratieve methoden is de actieve rol van de verteller: degene die het verhaal deelt, beantwoordt ook vragen over dat verhaal en doet mee aan de analyse.
De methodologische opbouw van PNI bestaat uit een aantal vaste stappen: het verzamelen van verhalen, het duiden van die verhalen door de vertellers zelf, gezamenlijke analyse in groepen (sensemaking), en het terugkoppelen van inzichten. Deze cyclus – ook wel de StoryCycle genoemd – zorgt ervoor dat niet alleen data wordt verzameld, maar dat er ook daadwerkelijk iets met die data gebeurt. PNI combineert kwalitatieve en kwantitatieve elementen. Verhalen worden inhoudelijk geanalyseerd, maar ook gecodeerd op bijvoorbeeld emoties, thema’s en betrokkenheid. Hierdoor ontstaat een dataset die zowel rijk is in context als geschikt voor patroonherkenning.

Erkenning door kennisinstituten

Diverse Nederlandse kennisinstituten en universiteiten erkennen PNI als een waardevolle en valide methode:
Instituut Type erkenning Toepassing of samenwerking
Athena Instituut (VU) Methodologische erkenning Participatieve onderzoeksmethoden, narratief evalueren
Nivel Praktijktoepassing in zorg Instrument “Luister naar mijn verhaal” gebaseerd op PNI
Vilans Praktijkverbetering in zorg Narratieve technieken in leernetwerken en kwaliteitsprogramma’s
Nederlands Jeugdinstituut Evaluatie in jeugdsector Narratieve monitoring en participatie van jongeren
Erasmus Universiteit Onderzoek en onderwijs Narratieve co-inquiry en complexiteitsonderzoek
Deze instellingen gebruiken PNI in uiteenlopende contexten: van cliëntparticipatie in de langdurige zorg tot evaluatie van wijkteams en jeugdhulp. De erkenning komt tot uiting in publicaties, samenwerkingsprojecten en methodologische aanbevelingen.

Publicaties en wetenschappelijke validatie

Hoewel PNI lange tijd weinig expliciete academische publicaties kende, is daar de laatste jaren verandering in gekomen. In 2024 verscheen een artikel in het International Journal of Applied Positive Psychology waarin PNI wordt gepresenteerd als een volwaardige onderzoeksmethode. Ook in de medische wetenschap wordt PNI inmiddels toegepast, bijvoorbeeld in onderzoek naar chronische darmziekten. Daarnaast geldt het boek “Working with Stories” van Cynthia Kurtz als standaardwerk. StoryConnect heeft hieraan bijgedragen en onderhoudt nauwe banden met het internationale PNI Institute, dat zich richt op kennisdeling en methodologische ontwikkeling.

Toepassing door StoryConnect

StoryConnect, onder leiding van Erwin Duurland en Marco Koning, heeft PNI in Nederland breed toegepast en verder ontwikkeld. Er zijn talloze praktijkcases, methodologische documenten en samenwerkingen met experts. Enkele kenmerken van de aanpak van StoryConnect:
  • Verhalen worden verzameld via online platforms, interviews en groepssessies.
  • Vertellers beantwoorden duidingsvragen over hun eigen verhaal.
  • Analyse gebeurt in samenwerking met deelnemers, vaak in workshops.
  • Inzichten worden teruggekoppeld aan de gemeenschap of organisatie.
  • Er wordt gewerkt met dashboards en visualisaties om patronen zichtbaar te maken.
StoryConnect heeft PNI onder andere ingezet in de zorg, het sociaal domein, defensie en gemeentelijk beleid. De methode is telkens aangepast aan de context, zonder de kernprincipes los te laten.

Kritische kanttekeningen

Zoals bij elke methode zijn er ook bij PNI aandachtspunten:
  • Representativiteit: verhalen zijn niet altijd statistisch representatief, maar geven wel rijke inzichten.
  • Validiteit: wordt geborgd door participatie en triangulatie.
  • Arbeidsintensiteit: PNI vergt inzet, maar levert ook draagvlak en diepgang op.
  • Vergelijkbaarheid: standaardisatie is beperkt, maar documentatie maakt vergelijking mogelijk.

Conclusie

PNI is een wetenschappelijk gefundeerde methode die zich onderscheidt door haar participatieve en narratieve karakter. De methode is erkend door diverse kennisinstituten en universiteiten, en wordt steeds vaker toegepast in onderzoek en praktijk. StoryConnect speelt hierin een belangrijke rol door PNI toegankelijk te maken en verder te ontwikkelen.
PNI biedt een unieke combinatie van diepgang, betrokkenheid en bruikbare inzichten. Het is daarmee een waardevolle aanvulling op het bestaande onderzoeksinstrumentarium – niet als vervanging van andere methoden, maar als verrijking ervan.
Scroll naar boven