Inleiding
Langzaam groeide bij mij het besef dat veel van wat mensen écht bezighoudt na een
inzet, zich afspeelt in kleine momenten en korte uitwisselingen. Niet in het grote
verhaal van de missie, maar in die ene beslissing, dat ene moment van twijfel, of juist
van onderlinge steun. Kleine, persoonlijke ervaringen die zelden expliciet worden
uitgesproken maar die wel bepalend zijn voor hoe mensen elkaar blijven zien en
vertrouwen na afloop.
Vanuit die ervaring werken we nu, samen met Defensie en de Academische
Werkplaats, aan een nieuwe opdracht. We verkennen voorzichtig hoe zulke micro-
narratieven een plek kunnen krijgen in kleine teams na een inzet. Niet als evaluatie-
instrument, en niet om conclusies te trekken, maar als uitnodiging om ervaringen te
delen zoals ze beleefd zijn. De werkwijze die we daarvoor gebruiken – Participatory
Narrative Inquiry – gaat ervan uit dat mensen het beste zelf betekenis kunnen geven
aan hun eigen verhalen. Door korte persoonlijke ervaringen op te halen, er samen
vragen aan te stellen en te kijken welke patronen over verhalen heen zichtbaar
worden, ontstaat een gedeeld begrip dat in een formeel evaluatiegesprek zelden aan
de oppervlakte komt.
In compacte, veilige settings onderzoeken we hoe dit gezamenlijke duiden van kleine
verhalen kan bijdragen aan herstel van relaties, onderling begrip en het gesprek over
hoe het met elkaar gaat. Het is nadrukkelijk een lerende zoektocht. Juist door dit
samen met de Academische Werkplaats te doen, verbinden we praktijkervaring uit
het veld met wetenschappelijke reflectiezonder te vervallen in vaste formats of snelle
antwoorden.
Stap voor stap verkennen we zo of kleine verhalen teams kunnen helpen om na een
inzet niet alleen verder te gaan, maar ook weer samen verder te kunnen.
Misschien zit herstel na een inzet niet in het grote verhaal, maar juist
in de kleine verhalen die eindelijk hardop verteld mogen worden.
Wat is Participatory Narrative Inquiry?
Participatory Narrative Inquiry (PNI) is een methode voor het verzamelen, delen en
samen duiden van persoonlijke verhalen in groepen en organisaties. De methode is
uitgewerkt door Cynthia F. Kurtz in haar boek Working with Stories in Your
Community or Organization en bouwt voort op inzichten uit de narratieve
psychologie, complexiteitswetenschap en participatief actieonderzoek.
Waar veel onderzoeksmethoden verhalen over mensen verzamelen en analyseren,
draait PNI het om: mensen verzamelen en duiden verhalen met en van zichzelf. De
betekenis die ontstaat, is niet die van een buitenstaander die patronen benoemt, het
is de betekenis die de deelnemers zelf herkennen en erkennen.
Kernprincipes
Kleine verhalen als eenheid van betekenis. PNI werkt niet met grote, lineaire
levensverhalen, maar met korte, persoonlijke anekdotes: wat er echt gebeurde, zoals
het werd ervaren. Juist de kleine, onopgemaakte verhalen dragen de tacit knowledge
die in rapporten en evaluaties verloren gaat.
Verhalen als veilige container. Een verhaal biedt afstand: je vertelt wat er
gebeurde, niet direct wat jij voelde of fout deed. Die indirectheid maakt het mogelijk
om moeilijke ervaringen toch te delen, zonder dat het gesprek meteen therapeutisch
of oordelend wordt.
Vragen stellen aan verhalen, niet aan mensen. Na het ophalen van verhalen
stellen we deelnemers een aantal vragen over hun verhaal om zo betekenis te geven
aan hun verhaal. ‘Wat maakt dit verhaal typisch voor onze groep?’ of ‘Wat had anders
kunnen gaan?’ Zo ontstaat reflectie zonder directe confrontatie.
Patronen over verhalen heen. Wat één persoon vertelt is een ervaring. Wat tien
mensen ieder op hun eigen manier vertellen en wat daarin overeenkomt of juist
schuurt, dat is collectieve kennis. PNI maakt die patronen zichtbaarniet door
interpretatie van buitenaf, maar door de deelnemers zelf te laten zoeken.
Sensemaking als kern. Het doel is niet het verzamelen van data, maar het
gezamenlijk betekenis geven: wat zeggen deze verhalen over hoe wij als groep
functioneren, over wat ons bindt, over wat we nodig hebben? Die betekenis is niet
vastgesteld van tevorenze ontstaat in het proces.
De werkwijze in de praktijk
Een PNI-proces verloopt globaal in een aantal fasen, die in de context van teams na
een inzet compacter en behoedzamer worden ingezet dan in een uitgebreide
organisatiecontext:
- Verhalen ophalen
Deelnemers worden uitgenodigd een korte, persoonlijke ervaring te delen: een
moment uit de inzet dat hen is bijgebleven. Geen oordeel, geen analysealleen het
verhaal zoals het beleefd werd. Dit kan schriftelijk, mondeling of in kleine kring. De
nadruk ligt op veiligheid en vrijwilligheid.
- Vragen stellen aan de verhalen
Aan elk verhaal worden een paar eenvoudige vragen gesteld. Niet: ‘wat had je anders
moeten doen?’, maar: ‘welk gevoel roept dit verhaal op?’, ‘wat maakt dit moment
herkenbaar?’ of ‘wat zou je willen dat anderen hiervan wisten?’. De vragen helpen de
verteller en de luisteraars om dieper in de ervaring te stappen zonder die te
beoordelen.
- Patronen verkennen
Als meerdere verhalen zijn gedeeld, kijken de deelnemers samen naar wat er over
verhalen heen zichtbaar wordt. Welke thema’s komen terug? Waar zitten overeenkomsten, en waar juist spanning? Dat is geen analyse van experts, het is een gezamenlijk zoeken naar herkenning.
- Betekenis geven en terugkeren
Wat zegt dit over hoe het gaat in dit team? Wat heeft dit team nodig? Het gesprek
hoeft niet tot conclusies te leiden, soms is het voldoende dat ervaringen zijn
uitgesproken en herkend. Dat alleen al kan bijdragen aan herstel van vertrouwen en
onderlinge verbinding.
Verbinding met het werk van StoryConnect
StoryConnect past de principes van PNI toe in organisatorische en maatschappelijke
contextenvan teams in verandering tot gemeenschappen na een crisis. Wat
StoryConnect onderscheidt, is de combinatie van methodische zorgvuldigheid en
procesmatige sensitiviteit: de methode staat in dienst van de mensen, niet andersom.
In de huidige verkenning met Defensie en de Academische Werkplaats betekent dat
concreet:
- Verhalen worden uitsluitend gedeeld in veilige, kleine settings, op basis van vrijwilligheid.
- Er zijn geen rapportages of evaluaties aan gekoppeldde verhalen blijven binnen de groep.
- De procesbegeleiding is erop gericht om ruimte te maken, niet om te sturen naar uitkomsten.
- De wetenschappelijke reflectie via de Academische Werkplaats helpt om te leren van wat werkt zonder de belofte dat er een kant-en-klare methode uitkomt.
Dat is precies wat Kurtz* bedoelt met ‘working with stories’: niet verhalen gebruiken
als instrument, maar er samen in aanwezig zijn. Als uitnodiging, als spiegel, als brug.
Slotwoord
Het is nadrukkelijk een lerende zoektocht. Er zijn geen vaste formats, geen snelle
antwoorden. Stap voor stap verkennen we of kleine verhalen teams kunnen helpen
om na een inzet niet alleen verder te gaan, maar ook weer samen verder te kunnen.
Misschien zit herstel na een inzet niet in het grote verhaal, maar juist
in de kleine verhalen die eindelijk hardop verteld mogen worden.
Referentie
*Kurtz, C.F. (2014). Working with Stories in Your Community or Organization:
Participatory Narrative Inquiry. Lulu Press. Zie ook: www.storyconnect.nl


